De Steen

de steen

De hotelkamer rook naar tapijtlijm en behangsel. Hoe ik ook groef in mijn geheugen, de kleuren en patronen van het oude tapijt en behang kon ik me niet meer herinneren. Ik sloot de gordijnen om niet gestoord te worden door de koplampen op de autoweg. Boven het gesuis van de ventilatie klonk af en toe het gelach van een vrouw uit een van de aangrenzende kamers. In een krap kuipstoeltje wachtte ik af.
Halverwege de avond gaf ik de moed op. Als zij op mijn uitnodiging had willen ingaan, dan was ze nu in deze kamer geweest. Ze had mijn bericht ontvangen, ze had het gelezen. Wat deed ik nog in deze smetteloze hotelkamer, zo nieuw dat het leek of ik de eerste gast was die er verbleef? Was berger een manier om dit op een waardige manier af te sluiten? Na een blik op mijn reistas viel me in hoe.
In die tas zat de steen. Ik haalde hem tevoorschijn. De gladde kei voelde lekker in de hand. Hij woog zo zwaar als een pak melk. Het grijze marmer was doorspekt met witte aderen, een beetje zoals hersenen doorbloed zijn. Ik boog me over de badkuip en legde de steen op het afvoerputje. Het bad was ook nieuw. Even was ik bang dat het niet zou passen, maar na wat draaien en keren sloot de steen precies het putje af. Ik zette de kraan open. Het water viel dreunend in het bad, vulde de kamer met haar geluid en sloot de lachende vrouw en de rest van de wereld buiten.
Voor de spiegel kleedde ik me rustig uit. Het grijs van mijn pak had precies dezelfde kleur als mijn haar. Noch in mijn uiterlijk, noch in mijn adviezen stelde ik ooit een cliënt teleur. Ik zette mijn gepoetste schoenen onderin de klerenkast, hing mijn jasje, broek en overhemd aan kleerhangers en legde mijn onderbroek op de onderste plank. Ik keek weer in de spiegel. Zelfs zonder ingehouden buik zag ik er slank uit. Het hockeyen had mijn gezicht, armen en benen getaand, de rest van mijn lijf stak er bleek bij af.
In de minibar lag de bestelde fles champagne. Ik ontkurkte hem, schonk twee champagneglazen in en zette die op de rand van het bad. Het badwater was zo heet dat ik de aderen van mijn handen en voeten voelde opzwellen. Een beetje pijn kon geen kwaad. Er was vreemd veel ruimte in het bad. Ik kon mijn benen helemaal strekken. Alleen mijn hoofd hield ik boven water. Het zweet brak me al snel uit. Na een kwartier ging ik rechtop zitten.
Nu werd het moeilijk. Ik hief een van de glazen, haalde diep adem en zei: ‘Je bent mijn extraatje.’ Het klonk gruizig. Er zat een kikker in mijn keel. Ik dronk de champagne in een paar slokken op, pakte het tweede glas, hief het en zei zo luchtig mogelijk: ‘En jij bent mijn allesje.’ Hoewel ik tegelijkertijd als een vlieg tegen het plafond zat en me verwonderde over de bijna vijftigjarige man met zijn kinderachtige sprookjeswoorden beneden mij, schoten de tranen in mijn ogen. Ik dronk ook het tweede glas leeg, per slot van rekening had ik haar rol overgenomen. Over naar de volgende handeling. Ik hield mijn hand op borsthoogte, stak mijn wijsvinger uit en schreef mijn handtekening in de lucht. Het voelde niet goed, het moest anders. Nog een keer schreef ik mijn handtekening, maar nu op de binnenzijde van mijn linker onderarm. De aanraking van een menselijk lichaam, al was het gewoon mijn eigen arm, gaf kippenvel. Bijna was ik klaar. Ik schraapte mijn keel. ‘Het verstand is als een steen in de stroom,’ declameerde ik. Direct daarna haalde ik de kei van het afvoerputje.
Net toen het badwater gorgelend in een draaikolk wegliep, werd op de deur geklopt. Ze is toch gekomen, schoot het door me heen. Mijn hart bonkte als een gek. Ik wilde haar al binnenroepen toen ik bedacht wat voor slechte indruk het zou maken dat ik zonder haar begonnen was. Het zou lijken of ik niet op haar komst had vertrouwd, het ook wel zonder haar redde, haar niet nodig had. Ik stapte uit bad, trok een badjas aan en wilde net de steen en glazen verstoppen, toen nog een keer, ditmaal kordater, op de deur werd geklopt.
‘Meneer Verdoorn, bent u daar?’
Ik zakte op het bed neer. Dit was niet háár stem, dit was de stem van de receptioniste. Eerder op de avond had ze me, voordat ik zelf maar een woord had gezegd, vriendelijk over haar leesbril aangekeken, me bij de naam welkom geheten en de al klaarliggende sleutelkaart van de kamer aangereikt.
‘Een momentje,’ riep ik. Ik knoopte mijn badjas dicht en opende de deur.
De receptioniste deed meteen een stap de kamer in. Het waterspoor naar het bad met de steen en de champagneglazen kon haar niet ontgaan.
Ik wachtte af.
‘U zult wel denken wat ik kom doen.’
Eerlijk gezegd dacht ik even helemaal niets. Zij was niet gekomen. Wat viel er nog te denken, wat viel er nog te doen? Opeens schrijnde het contrast met mijn werk. In het belastingwezen kon je tenminste bezwaar maken tegen een door de inspecteur afgewezen rulingsverzoek. Je kon desnoods in hoger beroep gaan. Maar in kwesties van het hart is er geen hogere rechter.
‘U kwam hier een tijdlang elke maand en toen hield het opeens op.’
‘Sorry?’
‘Ik wil het graag uitleggen.’ Ze keek zoekend mijn kamer rond. ‘Is het goed als ik er even bij ga zitten?’ Ze wachtte mijn antwoord niet af, sloot de deur en streek neer op het randje van het bed. Het viel me op dat het grijsblauwe hoteluniform was omgeruild voor een rode jurk. De leesbril was blijkbaar achtergelaten op de balie.
Ik pakte het kuipstoeltje en ging tegenover haar zitten. Ik vouwde mijn benen over elkaar. Met een hand moest ik de badjas vasthouden om te voorkomen dat hij openviel.
‘Weet u, ik zit al jaren achter de receptie en heb in die tijd duizenden, misschien wel tienduizenden, gasten ontvangen. Allerlei soorten mensen: gezinnetjes, bejaarden, zakenmannen, gewone koppeltjes en soms, want dat heb je snel genoeg door, overspelige stelletjes.’ Ze stak haar hand op om te voorkomen dat ik haar zou onderbreken, niet dat ik dat wilde. ‘Ik vel geen oordeel. Iedereen moet zelf weten wat ie doet. Maar jullie sprongen er uit, jullie hadden alleen oog voor elkaar, de rest van de wereld bestond voor jullie niet. Dat klinkt als een cliché, ik weet het, maar bij jullie was het echt zo.’ Ze keek me afwachtend aan.
Wat wilde ze van mij?
‘Geef toe, zojuist aan de receptie herkende u mij niet, terwijl u toch altijd bij mij in- en uitcheckte.’
Weer dacht ik aan mijn werk. Vroeger ontging me daar niets: de voetnoten, de wetsverwijzingen, de ontbindingsclausules, de boetebedingen. Het mooie van mijn beroep ligt in de nuance, in de zich telkens weer vertakkende oplossingsrichtingen. Alsof je een druppel water onder een sterke microscoop legt en er een legioen aan doorzichtige millimeterbeestjes in ontdekt, elk met een verbazingwekkende functionaliteit en schoonheid. Het is niet waar dat de duivel in het detail zit. In het detail zit juist de kiem tot verwondering over het alledaagse, het begin van verzoening met het leven van alledag. Het is niet nodig om naar verre uithoeken te reizen, het is voldoende om aandachtig om je heen te kijken. Dat is wat ik altijd dacht. Tot twee jaar geleden. Tot ik haar ontmoette.
De receptioniste kuchte.
‘U hebt gelijk, ik herinner mij u niet. Het spijt me.’
‘U hoeft zich niet te verontschuldigen, ik zei het als voorbeeld.’
‘Het spijt me wel degelijk, want net zoals ik me u niet herinner, herinner ik mij haar niet meer. In ieder geval niet goed. Het lukt me gewoon niet haar scherp voor me te zien.’
De receptioniste keek me verbaasd aan.
‘Ik snap het ook niet. Je zou verwachten dat haar gezicht op mijn netvlies gebeiteld staat, dat ik me elke lachrimpel, elke oogwimper, elke sproet, elke porie kan herinneren. Dat lukt me niet meer. Liefde maakt blind, dat is bekend, maar toch niet op deze manier? Waarom heb ik nooit een foto van haar gemaakt?’
De receptioniste glimlachte flauwtjes.
‘Toch herinner ik me alles. Hoe tussen ons nooit een ongemakkelijk stilte viel, hoe haar energie op mij leek over te springen, hoe ze me ontvlamde met haar vrolijkheid.’ Ik had na de lunch niet meer gegeten en voelde me duizelig. Ik haalde een paar keer diep adem. Nog nooit had ik met iemand over haar gesproken. Waarom nu wel? Omdat de receptioniste de eerste persoon was die haar ook kende? Greep ik deze gelegenheid aan om eindelijk mijn hart te luchten? Ik pakte de fles champagne en de twee glazen. ‘U ook?’
‘Graag. En zeg alsjeblieft jij. Ik heet Sabina.’
‘Kees. Maar dat wist je al. Al jaren.’
Ze glimlachte weer, iets royaler nu. ‘Waar ontmoetten jullie elkaar?’
‘Op een congres over vastgoed. Ze stond achter me toen ik de presentielijst aftekende. Ze maakte een compliment over mijn handtekening en legde even haar hand op mijn schouder. Verwonderd keek ik haar na. Haar manier van bewegen riep – tsja, hoe zal ik dat zeggen? – begeerte bij me op. Ze bewoog gracieus, als een filmdiva op het rode tapijt, heel lichtjes draaiend met de heupen, volkomen op haar gemak, genietend van mijn aandacht. Bij het koffiebuffet raapte ik al mijn moed bij elkaar en ging op haar af. Aan zo’n gammel statafeltje raakten we in gesprek. Ze kwam niet uit mijn vakwereldje. Ze was handschriftdeskundige. Min of meer als luchtig intermezzo zou ze een voordracht houden over de authenticiteit van handtekeningen. Sorry hoor, ben je hier echt in geïnteresseerd?‘
Sabina knikte.
‘Ze begreep me toen ik over mijn werk vertelde. Ze luisterde aandachtig, aan een paar woorden had ze genoeg. Ze prees mijn trots en toewijding aan het vak. Ze prees wat mijn chef en collega’s na al die jaren voor volkomen vanzelfsprekend hielden. Ik kon het wel uitschreeuwen, ik kon wel janken. We praatten en praatten. De tijd vloog. Eindelijk begreep ik waar het leven om draait: inzichten en sensaties delen. Eng was het wel, want bij haar directe manier van contact kon ik niet terugvallen op ingesleten omgangsregels. Toen de gong voor de eerste lezing klonk, vroeg ze of ze mijn nummer mocht hebben.’
Ik schonk het laatste restje champagne uit.
‘De volgende dag stelde ze voor elkaar op de Scheveningse Pier te ontmoeten. Aan het uiteinde van de pier, op de plek waar je vroeger kon bungee jumpen, zoende ze me. De muzak uit de luidsprekers omgaf ons als een gordijn. De zoen was de bezegeling voor iets wat in een noodtempo was ontstaan en waar ik nu al niet meer buiten kon: begrip voor wie ik echt was. Toch, nooit had ik gedacht dat zoiets me zou overkomen. Mijn vrouw kende ik al van de middelbare school. We hadden we een goed huwelijk. Liefdevol. We brachten twee kinderen groot.’
Uit de minibar pakte ik zo’n klein flesje wijn. Sabina schopte haar schoenen uit en masseerde haar voeten. De nagels van haar tenen en vingers waren rood gelakt.
‘Vanaf dat moment begon ons dubbelleven. We spraken eens in de maand af in dit hotel. Deze paar vierkante meter waren de enige waar we niet op onze hoede hoefden te zijn. Deze kamer werd onze tempel. We hadden zelfs een soort ritueel.’ Ik keek nog eens rond. ‘Jammer dat de kamer opnieuw is ingericht. Wat is er met het schilderij gebeurd?’
‘Welk schilderij?’ Sabina keek naar het enige kunstwerk in de kamer. Het hing boven het bed. Een zeefdruk met paarse en roze vegen.
‘Er hing een schilderij van een grillig berglandschap. Je weet wel, spitse rotspunten, knoestige door de wind gekromde bomen en donkere stapelwolken. Op de voorgrond stroomde een bergbeek. Het water sloeg kapot op een rots in het midden van de stroom. Het was gesigneerd door een zekere Ludwig Klages. Weet je zeker dat je het nooit hebt gezien?’
‘Ik kom niet in de kamers. Ik ben receptioniste!’
‘Neem me niet kwalijk. Hoe dan ook, de eerste keer in deze kamer bekeken we het schilderij. Onderaan stond een moeilijk leesbare regel in het Duits, zoiets als Der Geist ist wie ein Stein in dem Strom. Zij zei: die steen is het verstand en die stroom is het leven; het verstand staat het leven in de weg. Hoe vaag het ook klinkt, ik begreep meteen wat ze bedoelde. De keer daarop bracht ik een halsketting met een mooie halfedelsteen voor haar mee. Ze weigerde die aan te nemen. Ze wilde geen cadeautjes, ik denk omdat die haar zouden kunnen verraden. De daaropvolgende keer nam ik voor de grap een mooi afgesleten natuursteen mee die jarenlang als decoratie tussen vergelijkbare stenen aan de rand van de vijver in onze tuin had gelegen.’
Ik stond op en pakte de steen. Bovenop was hij opgedroogd en dof, onder nog nat en glimmend. Ik gaf hem aan Sabina, die de steen draaiend in haar handen bestudeerde.
‘Min of meer de grap voortzettend legde ik de steen in de badkuip. Zo ontstond ons ritueeltje, waarin de steen, mijn handtekening en onze koosnamen een rol speelden. Ja, we hadden zelfs koosnaampjes. Dat kwam doordat zij altijd zei: je bent mijn extraatje. Ik noemde haar dan: mijn allesje. We hebben het ritueel nooit overgeslagen. Na afloop vrijden we.’
‘Mooi, heel mooi.’ Sabina keek me zacht aan. ‘Maar er kwam een einde aan, he?’
‘Een van mijn hockeymaatjes had een scharrel. Hij praatte er bij het douchen openlijk over, pochte zelfs. Andere spelers maanden hem om aan zijn huwelijk te denken en afstand van zijn liefje te houden. Ik luisterde en dacht: dat is niet wat ik wil. Ik wil nabijheid, altijd en overal. Ik vertelde haar dat. Ze waarschuwde dat ze nooit bij haar man weg zou gaan, dat ik echt alleen maar haar extraatje was. Ik hield aan. Op een dag appte ik dat ik van plan was te gaan scheiden. Ze schrok. We spraken weer af op de Pier. De meeuwen vlogen krijsend om ons heen. Ik zette haar voor het blok. Ze draaide zich om en liep weg.’ Ik schraapte mijn keel, want daar was die kikker weer.
‘Heb je haar daarna nog gezien?’
‘Wat voor zin zou dat hebben gehad? We zouden op hetzelfde punt belanden, onszelf opnieuw pijn doen. Mijn harde ultimatum had alles kapot gemaakt. Het lag zwaar en onverzettelijk als een dam in onze stroom. Ik zette mijn ideeën over scheiding niet door, laat staan dat ik het er met mijn vrouw over had. Ze heeft nooit iets in de gaten gehad. Ook mijn vrienden en collega’s hebben niets gemerkt. Ik kan goed mooi weer spelen. Zo kabbelt mijn leven voort op de manier waarop het voor mijn ontmoeting met haar ging. Het enige verschil is dat ik er geen plezier meer in heb.’ Ik zuchtte. De natte badjas plakte koud aan mijn rug.
‘Waarom ben je dan hier?’
‘Ik kon haar niet vergeten. Eindeloos maalde het afscheid op de Pier door mijn hoofd. Ik verweet mezelf dat ik niet tevreden was geweest, er geen genoegen mee had genomen haar ook als extraatje te zien. Ik vroeg me af of het nog mogelijk was mijn vergissing recht te zetten. Onmiddellijk corrigeerde ik mezelf dan. Wie de echte liefde ontmoet, moet bereid zijn om alles op het spel te zetten. Ik had hoog spel gespeeld en ik moest me bij de uitkomst neerleggen. Alleen, mijn plezier in het leven van alledag was verdwenen. Ik zag de details over het hoofd en als ik ze wel zag, verbaasden en verwonderden ze me niet meer. Dus moest ik dan toch …? De hele tijd flipperde het heen en weer. Er was maar een manier om het te laten stoppen. Ik wilde haar nog een keertje zien, alhoewel ik niet precies wist waartoe dat zou moeten leiden.’
Sabina knikte. Haar donkerblonde haar waaierde mooi breed uit over haar schouders. Ze nam een slokje schnaps. We dronken rechtstreeks uit de flesjes.
‘Kom alsjeblieft nog één keer naar onze hotelkamer, heb ik haar geappt. Laten we samen terugdenken aan hoe het was, laten we op een warmere manier afscheid nemen. Ze reageerde niet op mijn apps, maar ze las ze wel. Uiteindelijk heb ik het bericht gestuurd dat ik vandaag, exact twee jaar na onze ontmoeting op het congres, hier op haar zou wachten.’
Sabina pakte mijn mobiel van het nachtkastje en keek op het scherm. Ze fronste een paar keer bij het lezen. Daarna kwam ze naar me toe en legde haar hand op mijn arm. Ze zakte door haar knieën tot onze hoofden zich op gelijke hoogte bevonden. We keken elkaar in de ogen. Ik zag het wit van haar netvlies met rode ragfijne bloedvaatjes die zich als een boom vertakten. Ik zag de grijze sterrenhemel van haar iris. En ik zag haar pupillen, donkergrijs, bijna zwart, glanzend, met, als ik heel goed keek, mijn eigen spiegelbeeld erin.
Uiteindelijk zei ze: ‘Laten we fantaseren dat ze je wel een app heeft gestuurd.’
Ik wist het wel, gonsde het door me heen.
‘Dat ze niet kan komen. Dat het haar spijt.’
Ik zweeg, bang voor wat zou komen.
‘Omdat ze een nieuw extraatje heeft.’
Zie je wel!
‘Dat ze zegt dat ik voortaan jouw extraatje ben.’
Ze liep naar het bad. Ze had de steen in haar hand. Ze boog zich over de badkuip. Ik hoorde de steen knarsen tegen het staal van het afvoerputje. Ze zette de kraan open. Weer vulde de kamer zich met het gekletter van het water in de badkuip. Ze trok in één beweging haar jurk uit en daarna haar slipje en bh. Ze had mooie borsten, vol, iets naar buiten staand. Hoe zou het zijn om haar tepels aan te raken?
Ze wenkte me.
Wat moest ik doen? Alles wat ik op deze avond was gedacht, gezegd en gebeurd schoot aan me voorbij. Rust daalde over me neer, een kalmte die ik sinds het afscheid op de Pier niet meer had gevoeld. Misschien bestond er toch zoiets als een hogere rechter in de liefde. Ik wist wat me te doen stond: de steen mee naar huis nemen en terugleggen bij de stenen aan de rand van de vijver, waar ik hem ooit had weggepakt. De enige vraag was of ik dat nog deze avond of morgenochtend zou doen.

Dit verhaal is geïnspireerd op het artikel ‘Ik wilde niet haar extraatje zijn’ in de rubriek Lust & Liefde van Corine Koole in de Volkskrant van 17 maart 2018. Een aantal uitspraken van Kees (niet zijn echte naam) is rechtstreeks overgenomen.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: