Luttel in Lettele

Net op het einde brak de zon door. De buurtbus reed voor onze ogen weg. We besloten in het café-restaurant aan de overkant van de straat te wachten. Veel lege stoelen in een reusachtige serre. In de uiterste hoek twee naar elkaar toegebogen mensen. Mijn regenbroek haakte bij het uitdoen op de bemodderde hakken van mijn wandelschoenen. Ik hinkte naar een bankje en pelde de opgestroopte glibberbroek af. Carla zette haar schoenen op een paar servetjes neer. Het water doorweekte de dunne papiertjes en maakte plassen op de smetteloze plavuizen. Bij een kop romige tomatensoep met verse bieslook slonken mijn opgezette vingers en verdween de zeurende pijn in mijn wreven. Ik besloot verder te lezen in mijn minipocket van De geschiedenis van de liefde. ‘We waren wel verliefd en zo, maar we maakten emotioneel geen contact,’ klonk het opeens, als door een akoestisch wonder, perfect verstaanbaar uit de andere kant van de serre. ‘Ik zei: ik weet niet wat het is. Maar het voelt niet goed. Dan zei hij: dat kan niet. Je hebt alles wat je je maar kunt wensen. Een mooi huis. Een auto. Alles.’ ‘Dat gaat niet,’ zei een andere stem, ‘een gevoel met een argument beantwoorden.’ Ze spraken met de tongval van de streek. Woorden rond als karrewielen. Wat zaten er trouwens veel balletjes in de soep. ‘Daar zat hij dan. Voor het raam. Als een dode. Maandenlang.’ De andere vrouw humde meelevend. ‘Toen zei hij: je mag wel gaan. Aan mij heb je niets meer.’ Meer meelevend gehum. ‘Ik had niet gedacht dat het zo zou zijn. Dat het zó zou zijn. Een normaal mens overkomt het eenmaal in zijn leven. Mij twee maal.’ ‘Hum, hum, hum.’ ‘Ze zeggen dat de ogen de spiegels van de ziel zijn. Dat zeggen ze toch? Wat ik heb gezien in die ogen!’ Ik halveerde het laatste soepballetje. Twee halve balletjes zijn lekkerder dan een hele. ‘Hoe oud ben je nou, 51?’ vroeg de humster. ’52!’ Een zucht. Dan, met een gemaakt vrolijke stem: ‘Kijk, de zon schijnt. Dat gaat door.’ ‘Zullen we wandelen?’ ‘Nee, niet wandelen.’ Een huilbui. Heftig snuiten. Snikken, groter dan de hagelstenen die bij het kanaal op ons waren neergekletterd. ‘Ik voel dat er nog veel meer zit. Véél meer.’ Een nieuwe stroom hummen. En dan nu lezen. Waar was ik gebleven? Maar het was al tijd om weg te gaan. Ik draaide me bij het opstaan om. Daar zaten ze: twee stevige vrouwen met grijs haar en rode brilmonturen. Zussen wellicht. Zonder voorkennis had ik ze halverwege de zestig geschat. Ik liet het boekje van Nicole Krauss in de binnenzak van mijn vochtige regenjas glijden en haastte me naar de bushalte. De zon stond laag en priemde in de ogen. Vijf minuten eerder dan de dienstregeling aangaf, nam de lege buurtbus ons mee uit Lettele.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: